Wie bepaalt welke klimaatplannen geld krijgen? Niet altijd de mensen die het hardst nodig hebben

Wie bepaalt welke klimaatplannen geld krijgen? Niet altijd de mensen die het hardst nodig hebben
Foto: Robert Bye via Unsplash

Een dijk tegen overstromingen, een waterzuivering tegen droogte, een nieuw rioolsysteem voor een stad die steeds vaker onder water staat. Arme landen hebben geld nodig om zich aan te passen aan klimaatverandering. Maar wie beslist eigenlijk welke plannen dat geld krijgen, en welke niet?

Je zou denken dat klimaatgeld vooral gaat naar de plekken waar mensen het kwetsbaarst zijn. Een onderzoeker van de universiteit in Hongkong, Laurence Delina, laat in een essay zien dat het anders werkt. Hij onderzocht hoe internationale klimaatfondsen en financiële instellingen bepalen welke adaptatieprojecten geld krijgen. Adaptatie betekent hier: maatregelen om je aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals hitte, droogte of overstromingen.

Delina stelt dat het probleem niet alleen is dat er te weinig geld is. Het echte probleem zit in de regels die bepalen wie dat geld krijgt. Grote fondsen, zoals het Green Climate Fund, gebruiken systemen die vooral kijken of een project financieel aantrekkelijk is. Een project moet "investeerbaar" zijn: het moet er voor investeerders en banken betrouwbaar en winstgevend genoeg uitzien.

Dat klinkt logisch, maar het heeft gevolgen. Steden die hun financiële zaken goed op orde hebben, krijgen makkelijker geld voor klimaatprojecten. Steden die dat niet hebben, vallen vaak buiten de boot, ook als de nood daar net zo hoog of hoger is. Hetzelfde geldt voor hele landen: hun kredietwaardigheid, oftewel hoe betrouwbaar ze zijn voor leningen, bepaalt mede of klimaatplannen worden goedgekeurd.

Volgens Delina komen deze regels en meetmethodes vooral uit rijke landen in het Noorden, zoals de Verenigde Staten en Europa. Die bepalen daarmee impliciet wat telt als een "goed" adaptatieplan in arme landen in het Zuiden. Het risico is dat geld vaker gaat naar het beschermen van investeringen van banken, dan naar het beschermen van mensen die het meest kwetsbaar zijn voor klimaatverandering.

Een concreet voorbeeld dat in het essay wordt genoemd: stedelijke veerkrachtprogramma's die gebaseerd zijn op kredietwaardigheid. Steden moeten eerst aantonen dat ze financieel aantrekkelijk zijn voor investeerders, voordat ze steun krijgen om zich aan te passen aan bijvoorbeeld extreme hitte of overstromingen. Dat kan betekenen dat de armste, minst kredietwaardige steden achteraan in de rij staan, terwijl zij vaak het hardst te maken hebben met klimaatrisico's.

Wat betekent dit (nog) niet
Dit is een essay, geen cijfermatig onderzoek met nieuwe data. De auteur beschrijft een patroon aan de hand van bestaande voorbeelden en trekt daar een conclusie uit. Het is zijn analyse, niet een onomstreden feit. Er wordt ook niet gesteld dat klimaatfondsen met opzet kwetsbare mensen benadelen: het gaat om hoe financiële regels en systemen onbedoeld bepaalde keuzes sturen.

Het essay roept op om anders naar klimaatfinanciering te kijken. Niet alleen vragen: is er genoeg geld? Maar ook: wie bepaalt de regels, en wiens belangen staan daarbij voorop? Dat is relevant voor iedereen die zich afvraagt waarom sommige kwetsbare gebieden sneller hulp krijgen dan andere, ook als de nood vergelijkbaar is.

Bron: Financing resilience, governing vulnerability: Adaptation finance as a form of political infrastructure

Dit artikel is met AI vertaald en samengevat op basis van wetenschappelijk onderzoek, en gecontroleerd voordat het online kwam. Check bij twijfel altijd de bronvermelding hierboven, of lees hoe dat proces werkt.